gebouw-smeets-gijbels

  • Home
  • Nieuws
  • Jurisprudentie in Nederland juni 2018, afl. 5 Saskia Braun

Jurisprudentie in Nederland juni 2018, afl. 5 Saskia Braun

Publicatiedatum: 12 juni 2018

Verschenen in Personen- en familierecht «JIN» Jurisprudentie in Nederland
juni 2018, afl. 5

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
6 februari 2018, nr. 200.214.731/01
ECLI:NL:GHARL:2018:1317
(mr. Idsardi, mr. Van der Meer, mr. Dölle)
Noot S.C. Braun

Hoofdverblijf. Ouderverstoting(ssyndroom).
Uitgekleed of eenhoofdig gezag.
Het hoofdverblijf van ieder van de kinderen wordt bij een andere ouder bepaald. Het PAS als syndroom is niet wetenschappelijk erkend.
Alle professionals moeten uit de ouderstrijd stappen. Vader krijgt eenhoofdig gezag over één kind, het ‘uitgeklede’ gezag over het andere kind wordt weer volledig ‘aangekleed’.
[BW art. 1:251a, 1:253n; EVRM art. 8]

Uit de affectieve relatie van partijen zijn twee minderjarige kinderen geboren, over wie de ouders (aanvankelijk) gezamenlijk ouderlijk gezag uitoefenden. De ouders zijn verwikkeld in een heftige ouderstrijd.

De rechtbank heeft de hoofdverblijfplaats van beide kinderen bij de vader bepaald, maar feitelijk woont alleen D1 nog bij hem. D2 woont al geruime tijd bij de moeder. Uit de uitspraak volgt niet welke zorgregeling de rechtbank voor de kinderen heeft vastgesteld, maar wel dat de feitelijke situatie zodanig is dat er geen persoonlijk contact meer is tussen de kinderen en de niet-verzorgende ouder, waardoor ook de kinderen elkaar niet of nauwelijks meer zien. Het hof volgt de wil van de kinderen voor wat betreft hun hoofdverblijf en laat daarmee de feitelijke situatie in stand. Het hof stelt een minimale zorgregeling met de niet-verzorgende ouder vast en acht het noodzakelijk dat alle professionals uit de strijd stappen. Het zogenoemde Parental Alienation Syndrome als syndroom is, anders dan het verschijnsel ouderverstoting, volgens het hof niet wetenschappelijk erkend. Van ouderverstoting is volgens het hof geen sprake.

De rechtbank vond de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over beide kinderen kennelijk een te vergaande maatregel en voorzag in plaats daarvan in een vorm van uitgekleed gezag. Het hof acht het in het belang van D1 noodzakelijk dat de vader met het eenhoofdig gezag over haar wordt belast. De door de rechtbank opgelegde beperkingen in het gezag van moeder over D2 worden opgeheven, waardoor het gezamenlijke gezag over D2 in volle omvang wordt hersteld.

[Verzoekster],
wonende te [A],
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. I.Wagenaar te Groningen,
en
[verweerder],
wonende te [B],
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vader, advocaat: mr. R.R.J.A. Olie-Hallmans te Meppel.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[C], in haar hoedanigheid als bijzondere curator van de kinderen,
hierna: de bijzondere curator.

1. Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1. Voor het verloop van het geding tot 8 augustus 2017 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2.Het verdere verloop blijkt – voor zover hier van belang – uit:
– een journaalbericht van 3 oktober 2017 van mr. Olie-Hallmans met productie(s), waaronder het verzoek in incidenteel hoger beroep om de vader met het eenhoofdig gezag te belasten;
– een brief van 3 oktober 2017 van de bijzondere curator;
– een faxbericht van 9 oktober 2017 van mr. Wagenaar;
– een journaalbericht van 10 oktober 2017 van mr. Olie-Hallmans met productie(s);
– een brief van 14 november 2017 van de bijzondere curator;
– een journaalbericht van 7 december 2017 van mr. Olie-Hallmans;
– een brief van 18 december 2017 van de bijzondere curator met productie(s);
– een journaalbericht van 28 december 2017 van mr. Wagenaar met productie(s), waaronder een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep, alsmede het verzoek om de moeder met het eenhoofdig gezag te belasten;
– een brief van 28 december 2017 van mr. Wagenaar;
– een faxbericht van 4 januari 2018 van mr. Wagenaar;
– een brief van [D], binnengekomen op 4 januari 2018, waarin zij aangeeft dat zij graag haar mening kenbaar wil maken;
– een brief van 4 januari 2018 namens mr. Olie-Hallmans;
– een journaalbericht van 8 januari 2018 van mr. Wagenaar met productie(s).

1.3. [D] is op 11 januari 2018 – op eigen verzoek – door het hof gehoord buiten aanwezigheid van de ouders en hun advocaten.

1.4. Op 11 januari 2018 is de mondelinge behandeling voortgezet.
Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De bijzondere curator is eveneens ter zitting verschenen.
Namens de raad voor de kinderbescherming zijn – in het kader van zijn adviserende taak – dhr. [E] en mw. [F] verschenen.
Mr. Wagenaar en mr. Olie-Hallmans hebben ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities.
Dhr. [E] heeft ter ondersteuning van zijn betoog ter zitting een productie overgelegd, waaruit hij enkele tekstonderdelen (welke door de griffier zijn genoteerd) heeft geciteerd. De niet-geciteerde tekstonderdelen maken derhalve geen onderdeel uit van het dossier.

1.5. De mondelinge behandeling heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de mondelinge behandeling in de zaak onder zaaknummer 200.212.796/01. In de zaak onder zaaknummer 200.212.796/01 heeft het hof eveneens op 6 februari 2018 een arrest gewezen.

2. De motivering van de beslissing

2.1. Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 8 augustus 2017, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2. In die beschikking heeft het hof de behandeling in de zaak voor de duur van een half jaar aangehouden in afwachting van het traject van de kinderen bij de heer [G] (de kindbehartiger), ziende op de omgang tussen de ouders en de kinderen, en het traject van de ouders bij drs. [H], ziende op de invulling van het ouderschapsplan en eventueel het door het hof geadviseerde mediationtraject.

2.3. Op grond van de nagekomen stukken en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat het traject van de kinderen bij de kindbehartiger en het traject van de ouders bij de mediator vroegtijdig is gestaakt. Om die reden is een voortgezette mondelinge behandeling bepaald.

2.4. Aan het hof liggen ter beoordeling voor de beslissingen van de rechtbank omtrent de hoofdverblijfplaats van de kinderen, het gezag over de kinderen en de omgangs-/zorgregeling tussen de niet-verzorgende ouder en de kinderen. Het hof ziet aanleiding om allereerst in te gaan op de hoofdverblijfplaats van de kinderen, nu dit voor de ouders en de kinderen de meest verstrekkende beslissing betreft.

De hoofdverblijfplaats

2.5. De feitelijke situatie is al geruime tijd zodanig dat [I] bij de vader woont en [D] bij de moeder. Daarbij komt dat er sinds de vroegtijdige staking van bovengenoemde trajecten geen sprake meer is geweest van contact in persoon tussen de kinderen en de niet-verzorgende ouder en ook niet dan wel nauwelijks tussen de kinderen onderling.

2.6. Het hof acht het in het belang van [I] en [D] dat hun hoofdverblijf wordt bepaald bij de ouder bij wie zij thans feitelijk verblijven. Dit betekent dat het hof zal bepalen dat [I] haar hoofdverblijf bij de vader heeft en [D] haar hoofdverblijf bij de moeder heeft. Weliswaar heeft dit tot gevolg dat de beide kinderen niet op dezelfde plek hun hoofdverblijf hebben, doch dit nadeel is ondergeschikt aan de andere (individuele) belangen van de kinderen. De kinderen hebben in het kindgesprek duidelijk aangegeven dat, en om welke redenen, zij op hun huidige plek willen blijven wonen. [I] heeft het fijn bij de vader en [D] heeft het fijn bij de moeder. Zij geven beiden ook op heldere wijze aan om welke redenen zij niet bij de andere ouder willen wonen.

2.7. Beide kinderen hebben daarnaast aangegeven dat zij het gevoel hebben dat er door de (omgeving van de) ouder bij wie zij niet verblijven, druk wordt uitgeoefend om hen te bewegen voor de andere ouder te kiezen. De kinderen voelen zich hierdoor niet vrij in het contact met de andere ouder, hetgeen tot gevolg lijkt te hebben dat de kinderen dit contact met de andere ouder (en hun omgeving) geheel uit de weg gaan. Ook het contact tussen de zussen onderling staat om die reden onder hevige druk. Dit alles kan niet in het belang van de kinderen worden geacht. Het hof volgt de advocaat van de vader niet in haar stelling dat bij [D] sprake zou zijn van het ‘‘Parental Alienation Syndrome’’ (PAS) dan wel ouderverstoting. Het zogenaamde PAS als syndroom is niet wetenschappelijk erkend. Wel algemeen erkend is het verschijnsel ouderverstoting waarbij over de oorzaken en de aanpak hiervan ook verschil van opvatting is. Het hof is echter van oordeel dat de situatie rondom [D] en [I] zo gecompliceerd is dat niet gesteld kan worden dat bij [D] sprake is van ouderverstoting in de vorm zoals gesteld door de vader. Ook ziet het hof de door de vader voorgestelde oplossing om [D] ook in zijn gezin te plaatsen niet als een oplossing die in het belang van [D] is. Gebleken is dat [D] wel degelijk openstaat voor contact met de vader, maar vanwege de uitgeoefende druk dit contact liever uit de weg gaat. Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat dit het gevolg is van ouderverstoting, maar dat dit meer te maken lijkt te hebben met de ontstane gezinsdynamiek. Hoewel geprobeerd is deze gezinsdynamiek te doorbreken door middel van de ingezette hulp en/of hulpverlening, is gebleken dat de ingeschakelde professionals niet hebben kunnen voorkomen dat de strijd in de onderhavige zaak juist heviger is opgelaaid. Het hof is van oordeel dat het in de onderhavige zaak in het belang van alle betrokkenen is dat er een definitieve beslissing wordt gegeven, zodat de situatie voor eenieder helder is en er niet meer aan de kinderen zal worden getrokken. Zoals het hof – maar ook de raad – ter zitting heeft aangegeven dienen alle professionals uit deze strijd te stappen, zodat de ouders en de kinderen kunnen proberen tot een herstel – in ieder geval een normalisering – van de ontstane gezinsdynamiek te komen. Eventueel zal een systeemgerichte hulpverlening door de ouders moeten worden ingeschakeld. Wanneer iedereen de situatie over en weer accepteert en elkaar respecteert zal het moeten lukken om de contacten te herstellen en kunnen de kinderen zich weer bezig houden met hun ontwikkelingstaken.

2.8. Derhalve zal het hof de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het hoofdverblijf van [D] vernietigen en bepalen dat haar hoofdverblijfplaats bij de moeder zal zijn. Het hof zal hieraan geen termijn verbinden, nu [D] reeds feitelijk bij de moeder verblijft. Omdat de rechtbank het hoofdverblijf van [I] bij de vader heeft bepaald, zal de beslissing in zoverre in stand blijven.

Het gezag

2.9. Partijen twisten in hoger beroep tevens over het gezag over de kinderen. De moeder is van mening dat zij in het belang van de kinderen met het eenhoofdig gezag dient te worden belast. De vader stelt op zijn beurt dat hij met het eenhoofdig gezag belast dient te worden.

2.10. Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

2.11. Gelet op de in de onderhavige zaak ontstane situatie, is het naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat sprake is van gewijzigde omstandigheden.

2.12. Voorts is ten aanzien van [I] gebleken dat het – ondanks het uitgekleed gezag van de moeder (zoals bij de bestreden beschikking is bepaald) – door toedoen van de moeder niet is gelukt om [I] in te schrijven op de middelbare school waar zij thans feitelijk haar educatie geniet, hetgeen niet in haar belang kan worden geacht. Daarom is, naar het oordeel van het hof, ten aanzien van [I] voldaan aan de onder b. genoemde grond. Het hof zal de vader dan ook – conform zijn verzoek daartoe – met het eenhoofdig gezag over [I] belasten.

2.13. Het hof ziet ten aanzien van [D] geen aanleiding om het gezamenlijk gezag van de ouders te beëindigen. Gesteld noch gebleken is dat er problemen zijn gerezen bij het nemen van beslissingen aangaande [D]. Zo heeft de moeder [D] kunnen inschrijven op de middelbare school te [J] zonder dat de vader hierin geïntervenieerd heeft. Aangezien [D] haar hoofdverblijf bij de moeder zal hebben, acht het hof een uitgekleed gezag van de moeder niet in het belang van [D]. Daarom zal het hof de bestreden beslissing ten aanzien van het gezag over [D] vernietigen en de verzoeken van partijen tot eenhoofdig gezag afwijzen.

De omgangs-/zorgregeling

2.14. De ouders twisten tot slot over de omgangs-/zorgregeling met de kinderen. Het hof is van oordeel dat er ook op dit punt een beslissing genomen moet worden, zodat er voor eenieder duidelijkheid zal ontstaan. Een nadere aanhouding van de beslissing acht het hof niet in het belang van de kinderen. Het is – zoals reeds overwogen – noodzakelijk dat alle professionals uit de strijd stappen, hetgeen pas het geval zal zijn wanneer de onderhavige procedure eindigt door middel van een eindbeslissing van het hof.

2.15. Aangezien de feitelijke situatie thans zodanig is dat er geen contact in persoon meer is tussen [I] en de moeder en tussen [D] en de vader, waardoor ook [I] en [D] elkaar niet meer zien, ziet het hof aanleiding om een minimale zorgregeling vast te stellen. Het hof gaat er vanuit dat de ouders, zodra de rust is wedergekeerd na de acceptatie van de verblijfssituatie van de kinderen en er sprake is van een normalisatie in de gezinsdynamiek, ernaar zullen streven om tot een uitbreiding van deze regeling te komen.

2.16. Het hof zal bepalen dat er één keer per vier weken sprake zal zijn van omgang tussen de nietverzorgende ouder en het kind, hetgeen concreet betekent dat [I] één zaterdag per vier weken contact heeft met de moeder (en [D]) en [D] één zaterdag per vier weken contact heeft met de vader (en [I]). [I] en [D] zien elkaar dan één keer per twee weken. Dit omgangsmoment zal dienen plaats te vinden op de zaterdagen in de oneven weken van 13.00 uur tot 17.00 uur, waarbij het eerste omgangsmoment zal plaatsvinden op zaterdag 17 februari 2018. Het hof is van oordeel dat de omgang in beide gevallen (dus zowel het omgangsmoment met de vader als het omgangsmoment met de moeder) op neutraal terrein dient plaats te vinden zonder dat hier derden (te weten: anderen dan de betreffende ouder en de kinderen) bij aanwezig zijn. Dit neutrale terrein is ter vrije keuze van de ouder die op dat moment het omgangsmoment met de kinderen heeft. Derhalve zal de vader de ene keer iets met [D] en [I] ondernemen en zal de moeder de andere keer iets met [I] en [D] ondernemen. De niet-verzorgende ouder zal het halen en brengen voor zijn/haar rekening dienen te nemen, hetgeen betekent dat de vader [D] zal ophalen en terugbrengen en de moeder [I] zal ophalen en terugbrengen.

2.17.Het is het hof om het even welk omgangsmoment het eerst zal aanvangen. Echter, om duidelijkheid te creëren voor de ouders en de kinderen, zal het hof – zonder daaraan ten grondslag liggende overweging – bepalen dat het eerste omgangsmoment tussen de moeder en [I] (en [D]) op zaterdag 17 februari 2018 zal plaatsvinden en het eerste omgangsmoment tussen de vader en [D] (en [I]) op zaterdag 3 maart 2018. Indien deze omgangs/zorgregeling enige tijd heeft gelopen, zullen partijen in onderling overleg tot een uitbreiding van de regeling kunnen komen.

De terugkoppeling van de beslissing richting de kinderen

2.18.Het hof hecht eraan te wijzen op het feit dat ter zitting met de ouders de afspraak is gemaakt dat de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft de door het hof genomen beslissingen aan het kind zal mededelen. Dit betekent concreet dat de vader [I] op de hoogte zal stellen van de beschikking van dit hof en de moeder [D] hiervan op de hoogte zal stellen. Het hof geeft de ouders mee om dit in een privégesprek aan de kinderen mede te delen, derhalve onder vier ogen en zonder de aanwezigheid van derden, teneinde te voorkomen dat de kinderen (nog meer) worden belast met eventuele meningen en/of druk vanuit de omgeving van de ouders.

De proceskosten

2.19. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt om in zaken als de onderhavige de proceskosten in hoger beroep te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3. De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, gedeeltelijk vernietigen en beslissen als na te melden.

4. De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 25 januari 2017, voor zover het de hoofdverblijfplaats van [D], het gezag over de kinderen en de omgangs-/zorgregeling betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat [D] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft;
belast de vader met het eenhoofdig gezag over [I] ;
stelt de volgende minimum omgangs-/zorgregeling vast:
– bepaalt dat [I] één zaterdag per vier weken (in de oneven weken) omgang heeft met de moeder (en[D]) op een neutrale plek zonder de aanwezigheid van derden, waarbij de moeder [I] om 13.00 uur bij de vader ophaalt en om 17.00 uur weer bij de vader terugbrengt;
– bepaalt dat het eerste omgangsmoment tussen [I] en de moeder (en [D]) op zaterdag 17 februari 2018 zal plaatsvinden;
– bepaalt dat [D] één zaterdag per vier weken (in de oneven weken) omgang heeft met de vader (en [I]) op een neutrale plek zonder de aanwezigheid van derden, waarbij de vader [D] om 13.00 uur ophaalt bij de moeder en om 17.00 uur weer bij de moeder terugbrengt;
– bepaalt dat het eerste omgangsmoment tussen [D] en de vader (en [I]) op zaterdag 3 maart 2018 zal plaatsvinden;
– bepaalt dat partijen in onderling overleg tot een uitbreiding van deze minimum omgangs-/zorgregeling kunnen komen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.

NOOT
Deze zaak gaat over twee ouders die zijn verwikkeld in een heftige ouderstrijd over het hoofdverblijf van, de omgangs-/zorgregeling van en het ouderlijk gezag over hun minderjarige dochters.

Hoofdverblijf

Opmerkelijk aan deze uitspraak is dat het hof het hoofdverblijf van de kinderen bepaalt bij de ouder bij wie zij thans feitelijk verblijven met als gevolg dat de kinderen niet op één plek hun hoofdverblijf hebben. De stem van de kinderen is hierbij doorslaggevend geweest. De kinderen zouden in het kindgesprek duidelijk hebben aangegeven dat, en om welke redenen, zij op hun huidige plek willen blijven wonen. Beide kinderen zouden het gevoel hebben dat er door de ouder bij wie zij niet verblijven druk wordt uitgeoefend om voor hem/haar te kiezen. De kinderen voelen zich hierdoor niet vrij in het contact met de andere ouder en lijken daardoor het contact met de andere ouder geheel uit de weg te gaan. Ook het contact tussen de kinderen onderling staat om die reden onder hevige druk.

Er zijn in de jurisprudentie niet veel voorbeelden te vinden van uitspraken waarbij het hoofdverblijf van kinderen uit één gezin – anders dan uit financiële overwegingen (lees: vanwege de aanspraak op fiscale tegemoetkomingen en de kinderbijslag) – bij verschillende ouders is bepaald. Men vergelijke onderhavige uitspraak met Rechtbank Overijssel 24 december 2015 (ECLI:NL:RBOVE:2015:5818), Rechtbank Den Haag 19 december 2016 (ECLI:NL:RBDHA:106:16452) en Rechtbank Noord-Holland 11 november 2017 (ECLI:NL:RBNHO:8395). De overwegingen die voormelde rechtbanken ten grondslag hebben gelegd aan de betreffende beslissing omtrent het hoofdverblijf van de kinderen lopen echter wel uiteen. In de eerste twee genoemde beschikkingen waren er specifieke omstandigheden die vergden dat de kinderen afzonderlijk van elkaar opgroeiden. In de zaak die speelde bij de Rechtbank Noord-Holland was sprake van een co-ouderschapsregeling en oordeelde de rechter dat het gelijkwaardig ouderschap het beste tot zijn recht zou komen door te bepalen dat bij ieder van partijen een minderjarige zijn hoofdverblijf zal hebben. In een zaak die speelde bij het Hof Arnhem-Leeuwarden en die leidde tot de beschikking van 15 maart 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:2542) was eveneens sprake van een co-ouderschapsregeling, maar betrof het slechts één minderjarig kind. In deze zaak koos het hof ervoor om geen beslissing over het hoofdverblijf van de minderjarige te nemen, omdat dit volgens het hof juist geen recht zou doen aan de gelijkwaardige rol die de ouders in de verzorging en opvoeding vervullen. Wel nam het hof een beslissing over de inschrijving van de minderjarige in de Basisregistratie Personen, namelijk bij de vader.

Omgangs-/zorgregeling

Omdat de ingeschakelde professionals in onderhavige zaak niet hebben kunnen voorkomen dat de strijd zelfs heviger is opgelaaid, acht het hof het in het belang van alle betrokkenen dat er een definitieve beslissing wordt gegeven, waarbij alle professionals uit de strijd dienen te stappen. De ouders kunnen dan proberen om zelf tot een herstel van de ontstane gezinsdynamiek te komen. Het hof stelt een minimale omgangs-/zorgregeling vast, waarbij de niet-verzorgende ouder en het kind een keer per vier weken op zaterdag van 13.00 tot 17.00 uur omgang hebben. Het hof gaat er daarbij van uit dat de ouders na verloop van tijd tot een uitbreiding van deze regeling zullen komen.

Het is maar zeer de vraag of de ouders en de kinderen met deze uitspraak zijn geholpen. Het hof heeft geen enkel dwangmiddel aan de omgangs-/zorgregeling verbonden. Het lijkt dan niet waarschijnlijk dat wat de ouders met hulpverlening niet is gelukt, namelijk het herstel van contact tussen de kinderen en de nietverzorgende ouder en de kinderen onderling, hen nu zelf wel zou lukken. De volgende vraag is dan ook of deze uitspraak in dat opzicht wel in overeenstemming is met het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als gewaarborgd in art. 8 EVRM en het recht op omgang tussen ouder en kind zoals neergelegd in art. 9 lid 3 IVRK en art. 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. Verwezen zij naar de uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91 waarin met verwijzing naar deze fundamentele mensenrechten is bepaald dat het de taak van de lagere rechter is zich tot het uiterste in te spannen en alle in het gegeven geval passende maatregelen te treffen om het contact/de omgang met de andere ouder te herstellen.

PAS/ouderverstoting

Vader heeft aangevoerd dat bij D2 sprake is van het zogenoemde Parental Alienation Syndrome (hierna ook ‘PAS’) dan wel van ouderverstoting. Het hof gaat aan deze stelling voorbij overwegende dat het zogenoemde PAS als syndroom niet wetenschappelijk is erkend. Ouderverstoting daarentegen wel, maar de gecompliceerde situatie zou volgens het hof meer het gevolg zijn van de ontstane gezinsdynamiek. Bovendien zou het hof zijn gebleken dat D2 wel degelijk openstaat voor contact met de vader, maar dat zij dit vanwege de uitgeoefende druk liever uit de weg gaat.

Uit de uitspraak volgt niet op grond waarvan de vader meent dat sprake is van ouderverstoting, maar stel dat dit wel het geval is, dan is sprake van een ernstige vorm van psychische mishandeling, waarvan de gevolgen een leven lang kunnen voortduren. De praktijk leert dat het niet eenvoudig is om ouderverstoting aan te tonen. Hierbij speelt ook dat ouderverstotingszaken hogelijk contra-intuïtief zijn en dat herkenning hiervan een specifieke deskundigheid vereist. Wat voor een deskundige op het gebied van ouderverstoting vanzelfsprekend is, gaat in tegen de normale intuïtie van professionals die in dit soort zaken niet gespecialiseerd zijn. Dr. S. Miller, een specialist op het gebied van klinische besluitvorming en ouderverstoting en coauteur van het boek Working With Alienated Children and Families: A Clinical Guidebook stelt dat de meeste mensen een zaak als deze precies omgekeerd beoordelen. Vergelijk het stockholmsyndroom bij de ontvoerde die een sympathie voor zijn ontvoerder heeft ontwikkeld na jarenlang met hem te hebben geleefd. De meeste kinderen in de context van ouderverstoting zitten op één lijn met de mishandelende ouder. Deze ouder heeft vaak een ongezonde verstrengeling met het kind, soms zelfs zo erg dat het kind zijn individualiteit verloren heeft. Op het eerste oog ziet dit eruit als een warme en innige relatie tussen ouder en kind, terwijl in werkelijkheid sprake kan zijn van een pathologische verstrikking. Als in onderhavige zaak daadwerkelijk sprake is van ouderverstoting ten aanzien van D2, dan had moeten worden onderzocht of zij wel vrij is geweest om háár wil (aan het hof) te uiten of dat sprake is geweest van druk of zelfs manipulatie door de moeder.

In dit verband zij verwezen naar het in februari 2018 uitgebrachte verslag van Andre´ Rouvoet ‘Scheiden... en de kinderen dan? Agenda voor actie’ dat hij in opdracht van de Minister voor Rechtsbescherming opstelde. Hierin worden actielijnen en oplossingsrichtingen voorgesteld om schade bij kinderen als gevolg van scheidingen zoveel mogelijk te voorkomen. Rouvoet staat apart stil bij de problematiek van oudervervreemding en ouderverstoting. Hij concludeert dat hiervoor geen eenvoudige oplossingsrichtingen voorhanden zijn en signaleert dat het nog te vaak voorkomt dat ouderverstoting niet wordt herkend.

Wettelijk uitgangspunt: gezamenlijk gezag

Sinds de wetswijziging van 1 januari 1998 behouden beide ouders na echtscheiding in beginsel het ouderlijk gezag over hun kinderen en is het (verkrijgen van) gezamenlijk gezag in samenlevingssituaties het wettelijk uitgangspunt. Slechts in uitzonderingsgevallen kan worden aangenomen dat het belang van de kinderen vergt dat één van de ouders met het ouderlijk gezag wordt belast.

Eenhoofdig gezag

Uit de jurisprudentie volgt dat uiterst terughoudend wordt omgegaan met het toekennen van verzoeken om eenhoofdig gezag. Alleen als sprake is van:
a. een onaanvaardbaar risico dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen; dan wel
b. wijziging anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is, kan er reden zijn voor beëindiging van het gezamenlijke gezag. Dit volgt uit art. 1:251a lid 1 BW.
Ten aanzien van D2, die haar hoofdverblijf bij moeder heeft, ziet het hof geen aanleiding het gezamenlijk gezag te beëindigen. Omdat het hof in onderhavige zaak ten aanzien van D1 is gebleken dat het – ondanks het uitgekleed gezag van moeder (zoals bij de bestreden beschikking voor beide kinderen is bepaald) – door haar toedoen niet is gelukt D1 in te schrijven op een middelbare school, is naar het oordeel van het hof voldaan aan de in art. 1:251a lid 1 onder b BW genoemde grond en wordt vader met het eenhoofdig ouderlijk gezag over D1 belast. Gezien de vergaande consequenties van deze beslissing is de motivering hiervan erg summier. Uit de uitspraak kan echter worden opgemaakt dat er meer aan de hand moet zijn geweest en dat moeder vader ernstig heeft belemmerd in zijn verzorgingstaken. Daarmee lijkt de beslissing van het hof in lijn met de wet en de heersende jurisprudentie.

Uitgekleed gezag

De rechtbank achtte de beëindiging van het gezamenlijk gezag kennelijk nog een brug te ver en koos voor een maatwerkbeslissing gezag, ook wel uitgekleed gezag genoemd. De vorm van een maatwerkbeslissing gezag is een in de jurisprudentie ontwikkelde beperking van het gezag die niet terug is te vinden in de wet. In de kern komt het erop neer dat ouders weliswaar het gezamenlijk gezag behouden, maar dat een van de ouders ervan moet afzien bepaalde wezenlijke bevoegdheden te gebruiken of die zelfs aan de andere ouder moet delegeren.
Wordt in strijd hiermee gehandeld, dan dreigt alsnog eenhoofdig gezag. Daarmee fungeert het uitgekleed gezag als een soort voorportaal. Uit de jurisprudentie volgt dat in de praktijk behoefte bestaat aan uitgekleed gezag bij de ouder die zich realiseert dat gezamenlijk gezag niet haalbaar is, maar die ook bang is om buiten spel te worden gezet. De vraag is of deze angst terecht is, omdat de wet met het recht op omgang en informatie, zoals voorzien in art. 1:377a BW en verder, voldoende waarborgen biedt om dat te voorkomen en om in concrete situaties recht te doen aan de positie en de belangen van de ouder zonder gezag.

De rechter die tot het oordeel komt dat er een onaanvaardbaar risico is dat het kind bij gezamenlijke gezagsuitoefening klem of verloren raakt, zou mijns inziens het gezag aan een van de ouders moeten overlaten. Het is immers in strijd met elkaar om een ouder het gezag toe te kennen en hem tegelijkertijd te verbieden daarvan gebruik te maken.

S.C. Braun
Smeets Gijbels BV

       

SmeetsGijbels Amsterdam

Postbus 78067
1070 LP Amsterdam
Jacob Obrechtstraat 70
1071 KP Amsterdam
T +31 (0)20 574 77 22
F +31 (0)20 574 77 33
info@smeetsgijbels.com

SmeetsGijbels Rotterdam

Postbus 1629
3000 BP Rotterdam
Westersingel 84
3015 LC Rotterdam
T +31 (0)10 266 66 66
F +31 (0)10 266 66 55
E info@smeetsgijbels.com

logo fas
logo voh
logo iafl
logo mfi
logo kidsrights