gebouw-smeets-gijbels

  • Home
  • Nieuws
  • Jurisprudentie in Nederland september 2017, afl. 7 Noot Saskia Braun

Jurisprudentie in Nederland september 2017, afl. 7 Noot Saskia Braun

Publicatiedatum: 27 september 2017

Rechtbank Noord-Nederland 21 februari 2017, nr. C/18/150644 / FA RK 14-2360 ECLI:NL:RBNNE:2017:580  (mr. Timmermans) Noot S.C. Braun

Geslachtsnaamswijziging. Eenheid van naam. Belang kind. Behoud persoonlijke identiteit.

Het uitgangspunt van de wetgever is dat kinderen geboren in een gezin dezelfde geslachtsnaam hebben. In deze zaak kwam de rechtbank echter tot het oordeel dat art. 1:5 lid 8 BW niet dwingendrechtelijk voorschrijft dat kinderen geboren in een lesbische relatie en uit twee verschillende moeders dezelfde geslachtsnaam hebben.

[BW art. 1:24, 1:5 lid 8; IVRK art. 8]

De officier van justitie verzoekt om geslachtsnaamswijziging van het tweede kind, geboren uit een lesbische relatie, omdat de ambtenaar van de burgerlijke stand per abuis de verkeerde geslachtsnaam op de geboorteakte heeft vermeld. Hierdoor heeft het tweede kind niet dezelfde naam als het eerste kind. De rechtbank oordeelt dat art. 1:5 lid 8 BW niet dwingendrechtelijk voorschrijft dat kinderen geboren in een lesbische relatie en uit verschillende moeders dezelfde geslachtsnaam hebben en wijst het verzoek af. De rechtbank is daarbij van oordeel dat een verplichte wijziging van de achternaam in strijd is met de belangen van de minderjarige, die inmiddels bijna 8 jaar is, omdat hij zijn persoonlijke identiteit aan zijn huidige achternaam ontleent.

- [moeder 1] en [moeder 2],

- de ambtenaar van de burgerlijke stand (abs) van de gemeente Groningen.

Rechtbank:

1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift,

- de op 30 september 20014 ter griffie ontvangen brief van [moeder 1] en [moeder 2],

- de beschikking d.d. 31 mei 2016,

- het verslag van bevindingen van de bijzondere curator,

- de mondelinge behandeling van 13 januari 2017 in aanwezigheid van de officier van justitie mr. L. de Ruijter, mevrouw [abs] en de heer [abs] namens de gemeente Groningen, de dames [moeder 1] en [moeder 2] en de bijzondere curator mr. E. Henkelman.

2. Rechtsoverwegingen

2.1. De feiten

[moeder 1] en [moeder 2] (hierna gezamenlijk ook te noemen de moeders) zijn op 20 oktober 2006 met elkaar gehuwd. Tijdens het huwelijk is op 29 augustus 2007 te Groningen uit [moeder 2] geboren de minderjarige [minderjarige 1] (hierna te noemen [naam]). Op 27 juni 2009 is te Groningen uit [moeder 1] geboren de minderjarige [minderjarige 2] (hierna te noemen [naam]). De moeders hebben op grond van artikel 1:253sa Burgerlijk Wetboek van rechtswege gezamenlijk het gezag over de beide minderjarigen. Op 10 april 2014 is in de gemeente Haren een akte erkenning opgemaakt van de erkenning van [minderjarige 1] door [moeder 1]. De akte van erkenning vermeldt als geslachtsnaam na erkenning van [minderjarige 1] de naam [naam moeder 2]. Op 10 april 2014 is in de gemeente Haren een akte erkenning opgemaakt van de erkenning van [minderjarige 2] door [moeder 2]. De akte erkenning vermeldt als geslachtsnaam van [minderjarige 2] na erkenning de naam [naam moeder 1].

2.2. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat zij persisteert bij het gedane verzoek.

2.3. Standpunt van de ambtenaar van de burgerlijke stand

Ingevolge artikel 1:5 lid 8 BW hebben kinderen van dezelfde ouder en dezelfde echtgenoot of geregistreerde partner, die niet de ouder is, en die van rechtswege het gezag gezamenlijk zullen uitoefenen, dezelfde geslachtsnaam als het eerste kind. Op 29 augustus 2007 is [minderjarige 1] geboren binnen het huwelijk van [de moeders]. Twee jaar later is [minderjarige 2] geboren. De gemeente is toen voorbij gegaan aan de eenheid van naam en heeft per abuis de verkeerde geslachtsnaam op de geboorteakte vermeld. Hieruit volgt dat [minderjarige 2] als tweede kind geboren staande het huwelijk van de moeders, de geslachtsnaam van het eerste kind ([minderjarige 1]) zou moeten volgen. De geslachtsnaam van [minderjarige 2] dient hierom [naam moeder 2] te zijn.

2.4. Standpunt van de moeders

De moeders verzetten zich tegen het wijzigen van de achternaam van [minderjarige 2] van [naam moeder 1] in [naam moeder 2]. Zij voeren daartoe aan dat zij bij de geboorteaangifte van [minderjarige 2] aan de ambtenaar van de burgerlijke stand hebben gevraagd of, gelet op de achternaam van hun eerste zoon, de achternaam van [minderjarige 2] [naam moeder 2] diende te zijn. De ambtenaar gaf toen aan dat dat niet zo was omdat [moeder 2] niet de ouder van [minderjarige 2] was. [minderjarige 2] heeft toen als achternaam [naam moeder 1] gekregen. De moeders voeren voorts aan dat [minderjarige 2] zelf zijn achternaam ook niet gewijzigd wil hebben. Hij wil zijn eigen naam behouden. Hij is inmiddels zeven jaar oud en heeft altijd [naam] geheten. De moeders zijn van mening dat [minderjarige 2] recht heeft op het behouden van zijn eigen naam. Zijn achternaam is onderdeel van zijn identiteit. het belang dat [minderjarige 2] heeft bij het behouden van zijn identiteit is groter dan het formele standpunt van eenheid van naam binnen een gezin. De huidige maatschappij kent tegenwoordig allerlei samengestelde gezinnen, waarin meerdere verschillende namen voorkomen. De moeders stellen tenslotte dat dit hele probleem niet had gespeeld als zij niet de wens hadden gehad om [minderjarige 2] door [moeder 2] te laten erkennen. De achternaam van [minderjarige 2] was dan gewoon [naam moeder 1] gebleven. De moeders voeren aan meerdere stellen te kennen die om deze reden bewust niet tot erkenning van hun kinderen overgaan, terwijl zij dat wel graag zouden willen.

2.5. Standpunt van de bijzondere curator

De bijzondere curator vermeld in zijn rapport van bevindingen dat [minderjarige 2] in een gesprek dat hij met de aan het kantoor van de bijzondere curator verbonden orthopedagoge heeft gevoerd, heeft aangeven dat hij het fijn vindt dat hij niet dezelfde achternaam heeft als zijn broer. [minderjarige 2] vindt [naam moeder 2] geen mooie naam. Hij vindt [naam moeder 1] een veel mooiere achternaam. [minderjarige 2] wil dan ook het liefst de naam [naam moeder 1] houden. Daarbij heeft hij deze achternaam al zijn hele leven. De bijzondere curator concludeert dat het verzoek van de officier van justitie op grond van het dwingendrechtelijke karakter van artikel 1:5 lid 8 BW, dient te worden toegewezen en dat er dus een wijziging van de achternaam van [minderjarige 2] dient te komen. Dit zal volgens de bijzondere curator slechts anders zijn als de beide moeders wederzijds tot adoptie zouden overgaan. Een adoptie doet volgens de bijzondere curator echter geen recht aan de feitelijke gezinssituatie van partijen, waarbij beide moeders altijd als moeder van [minderjarige 2] hebben gefungeerd.

2.6. Beoordeling

2.6.1. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 5 boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is een regeling gegeven voor de geslachtsnaam van het kind. Artikel 5 bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien het kind alleen in familierechtelijke betrekking tot de moeder staat, het haar geslachtsnaam heeft. Komt een kind door erkenning in familierechtelijke betrekking tot de vader te staan, dan houdt het de geslachtsnaam van de moeder, tenzij de moeder en de erkenner ter gelegenheid van de erkenning gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de vader zal hebben (lid 2). Indien een kind door geboorte in familierechtelijke betrekking tot beide ouders komt te staan dan verklaren de ouders gezamenlijk voor of ter gelegenheid van de aangifte van de geboorte welke van hun beider geslachtsnamen het kind zal hebben. Van de verklaring van de ouders die ter gelegenheid van de aangifte van de geboorte wordt afgelegd, wordt melding gemaakt in de akte van geboorte. Deze regeling is van overeenkomstige toepassing indien een ouder en zijn echtgenoot of geregistreerde partner, die niet de ouder is, van rechtswege gezamenlijk het gezag als bedoel in artikel 1:253sa BW over het kind zullen uitoefenen of uitoefenen (lid 4). Een verklaring van de ouders als bedoeld in het tweede en vierde lid, kan slechts ten aanzien van de geslachtsnaam van hun eerste kind worden afgelegd. Volgende kinderen van dezelfde ouders dan wel kinderen over wie dezelfde ouders en dezelfde echtgenoot of geregistreerd partner die niet de ouder is, van rechtswege het gezag zullen uitoefenen, hebben dezelfde geslachtsnaam als het eerste kind (lid 8). 2.6.2. De moeders, die op grond van artikel 1:253sa BW van rechtswege het gezag over de minderjarigen hebben, hebben bij de geboorteaangifte van hun eerste zoon [naam] geen naamskeuze gedaan met als gevolg dat [minderjarige 1] op grond van artikel 1: 5 lid 5 sub b BW de naam van zijn geboortemoeder, [moeder 2], als achternaam heeft. Toen twee jaar later [minderjarige 2] werd geboren, hebben de moeders wederom geen naamskeuze gedaan. [minderjarige 2] heeft toen de achternaam van zijn geboortemoeder, [moeder 1], gekregen. Het onderhavige geschil spitst zich toe op beantwoording van de vraag of in de onderhavige situatie, waarbij er bij de geboorteaangifte van het kind, geboren binnen een geregistreerd partnerschap van twee vrouwen geen naamskeuze is gedaan en het kind op grond van de wet de geslachtsnaam van zijn geboortemoeder heeft gekregen, artikel 1:5 lid 8, dwingendrechtelijk voorschrijft dat een ander kind geboren binnen deze relatie maar uit de andere moeder, ook deze achternaam heeft. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Per 1 januari 1998 is de regeling van het naamrecht ingrijpend gewijzigd. Uitgangspunt van het (nieuwe) naamrecht is onder andere de gelijke behandeling van de man en de vrouw en van kinderen staande en buiten het huwelijk geboren, meer keuzevrijheid in het naamrecht, en eenheid van naam binnen het gezin, voor zover die tot uitdrukking komt in de naam. De eenheid van naam is door de wetgever neergelegd in het achtste lid van artikel 5 waarin is bepaald dat een verklaring houdende naamskeuze slechts ten aanzien van de geslachtsnaam van hun eerste kind kan worden afgelegd. Naar het oordeel van de rechtbankbank kan uit de tekst van artikel 1:5 lid 8 BW niet worden afgeleid dat de wetgever het oog heeft gehad op gevallen als de onderhavige. Dat blijkt volgens de rechtbank in eerste plaats uit het eerste zin van lid 8 waar is bepaald dat dit artikellid van toepassing is indien de ouders - in het onderhavige geval de geregistreerd partners - een verklaring naamskeuze hebben afgelegd. Wanneer een dergelijke verklaring niet is afgelegd lijkt voor toepassing van artikellid 8 dan ook geen plaats. De wetgever heeft kennelijk bedoeld de keuze voor het eerste kind, omwille van de eenheid van naam binnen het gezin, beslissend te laten zijn voor de volgende kinderen. Die eenheid van naam dwingt gelet op de tekst van lid 8 van artikel 5 echter niet tot het wijzigen van een achternaam in een geval als het onderhavige, waarin bij de geboorte géén naamskeuze is gedaan. Reeds om die reden is de rechtbank van oordeel dat op grond van de tekst van de wet niet kan worden geconcludeerd tot een dwingend voorgeschreven wijziging van de achternaam van [minderjarige 2]. De rechtbank is overigens daarbij van oordeel dat een verplichte wijziging van de achternaam van [minderjarige 2] in strijd is met de belangen van [minderjarige 2]. [minderjarige 2] is inmiddels bijna 8 jaar en heeft sinds zijn geboorte de achternaam [naam moeder 1]. Op grond van internationale verdragen voor de rechten van het kind heeft een kind recht op een naam vanaf zijn geboorte. Deze achternaam is een belangrijk onderdeel van zijn persoonlijke identiteit. Gelet op het belang van de achternaam bij de persoonlijke identiteit moet naar het oordeel van de rechtbank dan ook zeer terughoudend met een wijziging van de achternaam worden omgegaan. Dat de eenheid van naam door de wetgever niet als absoluut uitgangspunt heeft te gelden, blijkt volgens de rechtbank ook uit de uitzonderingen die door de wetgever op dit uitgangspunt zijn gemaakt. Zo behoudt een kind bij het achterwege laten van een naamskeuze bij adoptie, de naam die het voor de adoptie had en kan een minderjarige die op het tijdstip van het ontstaan van de familierechtelijke betrekking met beide ouders zestien jaar of ouder is, zelf ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand of van de notaris of, in geval van adoptie of gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, ten overstaan van de rechter verklaren of het de geslachtsnaam van de ene of de andere ouder zal hebben. De rechtbank overweegt voorts ten overvloede dat er van eenheid van naam binnen het gezin van de moeders overigens toch al geen sprake is, aangezien de moeders beiden hun eigen achternaam gebruiken. 2.6.2 Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de officier van justitie om te gelasten dat akte nr, 1G1870 van het jaar 2009, voorkomende in het register van geboorten van de gemeente Groningen, zal worden gewijzigd, dient te worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

NOOT

Twee lesbische vrouwen (hierna te noemen: V1 respectievelijk V2) krijgen ieder een kind. Het eerste kind (hierna te noemen: Z1) wordt geboren in 2007; het tweede kind (hierna te noemen: Z2) in 2009. De vrouwen oefenen op grond van art. 1:253sa BW het gezamenlijk gezag uit over de kinderen. Uit de beschikking wordt niet duidelijk of de vrouwen op 20 oktober 2006 zijn gehuwd of dat zij een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, doordat zowel van een huwelijk als over geregistreerde partners wordt gesproken. Voor de bespreking van deze uitspraak maakt dat geen verschil. Van belang is wel dat de moeders elkaars kinderen, kort na de inwerkingtreding van de Wet lesbisch ouderschap, die erkenning voor de duomoeder openstelde (april 2014), hebben erkend. Overigens zijn de (afstammingsrechtelijke) rechtsgevolgen van het huwelijk en het geregistreerd partnerschap met de inwerkingtreding van de verzamelwet geregistreerd partnerschap (eveneens in april 2014) gelijk getrokken. Bij de geboorte noch bij de latere erkenning van de kinderen hebben de moeders een geslachtsnaamskeuze gedaan. De akte van geboorte en de akte van erkenning van Z1 vermelden de geslachtsnaam van V1. Bedoelde akten van Z2 vermelden de geslachtsnaam van V2. Omdat de ambtenaar van de burgerlijke stand abusievelijk heeft nagelaten rekening te houden met de bepalingen van art. 1:5 lid 4 en 8 BW omtrent de eenheid van geslachtsnaam verzoekt de officier van justitie om verbetering van de akte van geboorte van Z2, in die zin dat zijn hierin vermelde geslachtsnaam wordt gewijzigd in die van V1. De moeders verzetten zich tegen het verzoek, omdat – kort samengevat – Z2 zijn achternaam, waaraan hij zijn identiteit ontleent, niet gewijzigd wil hebben. De rechtbank wijst het verzoek van de officier van justitie af, overwegende dat de eenheid van naam, die sinds 1 januari 1998 in art. 1:5 lid 8 BW is opgenomen, niet als absoluut uitgangspunt heeft te gelden. Overigens brengen ook de omstandigheden van de onderhavige zaak naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat aan het wettelijk uitgangspunt tot eenheid van naam binnen het gezin dient te worden vastgehouden. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de minderjarige inmiddels 8 jaar is en dat hij sinds zijn geboorte de achternaam van V2 draagt.

Juridisch kader

De verwerving en verandering van de sinds 1811 in Nederland verplichte geslachtsnaam is geregeld in art. 1:5 tot en met 1:7 BW

Verkrijging van geslachtsnaam

De hoofdregel is dat de ouders, tot wie een kind door geboorte in familierechtelijke betrekking komt te staan, bij de aangifte van de geboorte kunnen verklaren welke van hun beider geslachtsnamen het kind zal hebben (art. 1:5 lid 4 BW). Als de ouders ter gelegenheid van de geboorteaangifte geen naamskeuze doen, heeft het kind automatisch de geslachtsnaam van de vader. Als het kind buiten huwelijk of geregistreerd partnerschap is geboren, heeft het kind de naam van de moeder, tenzij het kind wordt erkend. In dat geval kan ter gelegenheid van de erkenning een naamskeuze voor de geslachtsnaam van de erkenner worden gedaan (art. 1:5 lid 2 BW). Hetzelfde geldt voor de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Bij kinderen die worden geboren in een lesbische relatie kunnen zich bijzondere situaties voordoen ten aanzien van de geslachtsnaam, zo blijkt maar weer uit onderhavige zaak. Als de vrouwen op grond van art. 1:253sa BW gezamenlijk gezag over het kind uitoefenen, doordat het kind staande huwelijk of geregistreerd partnerschap is geboren, geldt de naamskeuze als hoofdregel. Sinds de inwerkingtreding van de Wet lesbisch ouderschap (april 2014) is het ook mogelijk dat de echtgenote of (geregistreerd) partner van de moeder anders dan door adoptie (zonder tussenkomst van de rechter) juridisch ouder (duomoeder) wordt. Dit juridisch ouderschap ontstaat van rechtswege als de hiervoor vereiste verklaring van de stichting Donorregistratie is afgegeven dan wel na erkenning. Voor die gevallen is aan art. 1:5 BW lid 13 toegevoegd. Dit brengt mee dat bij erkenning door de duomoeder het kind de geslachtsnaam houdt van de vrouw uit wie het is geboren, tenzij beide ouders gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de duomoeder heeft. Als de duomoeder bij geboorte van het kind tijdens huwelijk van rechtswege moeder wordt, kunnen de ouders eveneens verklaren welke geslachtsnaam van hen beiden het kind zal hebben. Doen zij geen naamskeuze dan krijgt het kind de naam van de duomoeder. Ingeval van erkenning en gerechtelijke vaststelling van het ouderschap prevaleert dus de naam van de moeder uit wie het kind is geboren, terwijl bij geboorte binnen huwelijk of geregistreerd partnerschap van de juridische ouders het argument van de traditie (tot uitdrukking komend in de naam van de vader c.q. de duomoeder) de doorslag geeft. Ten slotte geldt ingeval van adoptie dat als de adoptieouders met elkaar gehuwd zijn, het kind de naam van de vader krijgt, tenzij ter gelegenheid van de rechterlijke uitspraak naamskeuze wordt gedaan voor de geslachtsnaam van de moeder (art. 1:5 lid 3 BW). Behoud van de eigen geslachtsnaam is op grond van de wet niet mogelijk, maar is in een enkel geval in de rechtspraak wel toegestaan. Als het kind echter wordt geadopteerd door ouders die niet met elkaar zijn gehuwd of door ouders van gelijk geslacht en er wordt geen naamskeuze gedaan, dan houdt het kind de geslachtsnaam die het heeft. In vrijwel alle gevallen geldt dat een naamskeuze alleen kan worden gedaan voor het eerste kind van dezelfde ouders (art. 1:5 lid 8 BW). De eenheid van naam in het gezin geldt evenzeer voor duomoeders. Dit betekent dat als twee vrouwen bij de geboorte van hun eerste kind een naamskeuze doen voor de naam van de barende moeder en de duomoeder baart te zijner tijd eveneens een kind (zoals in onderhavige zaak), dat het tweede kind de naam van de andere moeder krijgt. De beperking van de keuzemogelijkheid tot het eerste kind geldt overigens niet als dat kind levenloos ter wereld komt (art. 1:5 lid 8 BW). In deze situatie kunnen de ouders voor een volgend kind wel opnieuw bepalen welke van hun beider geslachtsnamen het kind krijgt. Interessant is dat de moeders in de onderhavige zaak aanvoeren dat het probleem niet zou hebben gespeeld als zij niet de wens hadden gehad om Z2 door V1 te laten erkennen. De achternaam van Z2 was dan gewoon die van V1 gebleven. De moeders zouden meerdere stellen kennen die om deze reden bewust niet tot erkenning van hun kinderen overgaan, terwijl zij dat wel graag zouden willen. De moeders zullen hiermee bedoelen, dat als zij elkaars kinderen niet hadden erkend, de foute vermelding van de geslachtsnaam in de geboorteakte van Z2 nooit aan het licht was gekomen. Ook zonder de latere erkenning hadden de kinderen volgens het wettelijk systeem immers dezelfde geslachtsnaam moeten hebben, omdat de moeders op grond van art. 1:253sa het gezamenlijk gezag over de kinderen uitoefenen. De bijzonder curator die in onderhavige zaak is aangesteld en overigens adviseert tot afwijzing van het verzoek tot geslachtsnaamswijziging, merkt in dit verband nog op dat de moeders ook de mogelijkheid hebben gehad elkaars kinderen te adopteren, waarmee Z2 wel de geslachtsnaam van V2 had kunnen behouden.

Wijziging van geslachtsnaam

De geslachtsnaam kan worden gewijzigd op verzoek van de drager of zijn wettelijk vertegenwoordiger. De wijziging geschiedt door de Koning bij Koninklijk besluit (art. 1:7 BW). In art. 1:7 lid 5 BW wordt verwezen naar een algemene maatregel van bestuur, waarin de wijze van indiening en behandeling van de verzoeken zal worden vastgesteld. Dit is het Besluit geslachtsnaamswijziging. Het onderhavige verzoek was echter niet afkomstig van de drager of zijn wettelijk vertegenwoordiger(s), maar van de officier van justitie en werd gedaan aan de rechtbank in plaats van de Koning. De beschikking vermeldt dat niet, maar de officier van justitie zal haar bevoegdheid hebben ontleend aan art. 1:24 BW op grond waarvan om aanvulling dan wel verbetering van onder meer een geboorteakte kan worden verzocht.

Uitspraak in perspectief

Het oordeel van de rechtbank dat het wettelijk uitgangspunt van eenheid van naam in het gezin uitsluitend is bedoeld voor de situatie waarin bij de geboorte van het eerste kind een naamskeuze is gedaan, is mijns inziens niet juist. Onder het doen van een naamskeuze moet immers ook worden begrepen het niet-doen van een keuze en derhalve de geslachtsnaam van het kind laten bepalen door het wettelijk systeem: zijn de ouders gehuwd, dan krijgt het kind de naam van de vader, zijn de ouders niet gehuwd, dan krijgt het kind de naam van de moeder (P. Vlaardingerbroek (red.) in: Het hedendaagse personen- en familierecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 70). Desalniettemin leidt dit oordeel ertoe dat de geslachtsnaam, waaraan de inmiddels achtjarige zoon zijn persoonlijke identiteit ontleent, ongewijzigd blijft. Dit is in overeenstemming met art. 8 IVRK op grond waarvan het recht van het kind op zijn persoonlijke identiteit, met inbegrip van de naam, moet worden geëerbiedigd, zonder onrechtmatige inmenging. Het wettelijk uitgangspunt van eenheid van naam lijkt hieraan ondergeschikt te zijn. De recente jurisprudentie over geslachtsnaamwijziging laat zien dat met een verzoek om geslachtsnaamswijziging in beginsel terughoudend moet worden omgegaan, maar is zeer casuïstisch. Wat in het belang van het kind wordt geacht, is sterk afhankelijk van de gestelde omstandigheden van het geval. In voorkomende gevallen kan dit ook betekenen dat een verzoek tot geslachtsnaamwijziging – anders dan in onderhavige zaak – wel wordt toegewezen, omdat juist de onmogelijkheid om ook formeel een andere naam te dragen een onrechtmatige inbreuk kan opleveren op het genoemde recht op identiteit en familie- en gezinsleven (art. 8 EVRM; zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 10 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9072; Rechtbank Limburg 25 januari 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:638 en Amsterdam 3 mei 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:3005).

Men vergelijke echter ook de opmerkelijke beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant van 1 mei 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:3689, waarin de rechtbank in een min of meer vergelijkbare zaak als de onderhavige wel strikt de hand hield aan het uitgangspunt van eenheid van naam en het verzoek tot geslachtsnaamswijziging van het – inmiddels twaalfjarige! – kind toewees. Anders dan in onderhavige zaak oordeelde de Rechtbank Oost-Brabant dat art. 1:5 lid 8 BW wel van dwingendrechtelijke aard is en de rechter geen mogelijkheid laat om hiervan in bijzondere gevallen af te wijken.

Tot slot

In de politiek doemt met regelmaat de vraag op of in de huidige maatschappij het uitgangspunt van eenheid van naam per se in stand moet blijven en of dit principe niet is achterhaald. Steeds meer vrouwen handhaven hun meisjesnaam, zodat er in feite al geen eenheid van naam meer is binnen een gezin. Ook hebben veel kinderen in samengestelde gezinnen verschillende namen. Bovendien voorziet de wet er zelf in dat het uitgangspunt van eenheid van naam wordt doorbroken, doordat geadopteerde kinderen van (gehuwde) ouders van gelijk geslacht bij het uitblijven van een naamskeuze hun eigen achternaam behouden.

       

SmeetsGijbels Amsterdam

Postbus 78067
1070 LP Amsterdam
Jacob Obrechtstraat 70
1071 KP Amsterdam
T +31 (0)20 574 77 22
F +31 (0)20 574 77 33
info@smeetsgijbels.com

SmeetsGijbels Rotterdam

Postbus 1629
3000 BP Rotterdam
Westersingel 84
3015 LC Rotterdam
T +31 (0)10 266 66 66
F +31 (0)10 266 66 55
E info@smeetsgijbels.com

logo fas
logo voh
logo iafl
logo mfi
logo kidsrights