gebouw-smeets-gijbels

  • Home
  • Nieuws
  • Wetsvoorstel herziening partneralimentatie

Wetsvoorstel herziening partneralimentatie

Publicatiedatum: 21 november 2018

Caroliene Mellema
Tijdschrift Relatierecht en Praktijk, nummer 7, november 2018

In de samenleving bestaat de wens om de partneralimentatieverplichting in duur te beperken. In dit kader is op 19 juni 2015 het wetsvoorstel herziening partneralimentatie ingediend, in navolging van de op 20 juni 2012 ingediende initiatiefnota (1). Waar de initiatiefnemers bij het indienen van het wetsvoorstel in 2015 nog aankondigden te verwachten dat het wetsvoorstel binnen een jaar in werking zou treden, is dit drie jaar later nog altijd niet het geval. Op het wetsvoorstel werd felle kritiek geuit door onder meer de Raad van State en de vFAS; reden voor de initiatiefnemers om het wetsvoorstel drastisch te veranderen.

Op 11 juni 2018 presenteerden de initiatiefnemers de Tweede nota van wijziging met daarin een ingrijpende vereenvoudiging van het oorspronkelijke wetsvoorstel (2). Inmiddels is op 1 oktober 2018 de Derde nota van wijziging gepresenteerd (3). Van het oorspronkelijke wetsvoorstel is niet veel meer over; alleen de beperking van de alimentatieduur van nu maximaal twaalf jaar naar een periode van maximaal vijf jaar is in stand gebleven, althans zo luidt de hoofdregel (4). Sinds de indiening van de initiatiefnota in 2012 is er een trend in de rechtspraak waar te nemen waarin het besef lijkt door te klinken dat de huidige twaalfjaarstermijn van artikel 1:157 lid 4 BW een maximale is, waarop niet zonder meer aanspraak kan worden gemaakt. De vraag rijst dan ook of een wetswijziging, waarbij enkel de alimentatieverplichting in duur wordt beperkt, wel nodig is. Recentelijk heeft de Hoge Raad in het licht van deze discussie twee interessante uitspraken gewezen.

Tweede nota van wijziging

Op 19 juni 2015 is het Wetsvoorstel herziening partneralimentatie (hierna: wetsvoorstel) ingediend. De initiatiefnemers wilden dat partneralimentatie eerlijker, simpeler en korter zou worden. Zij beoogden een verandering van de grondslag, de berekeningsmethode en de duur van de partneralimentatie. Op dat wetsvoorstel werd felle kritiek geuit door onder meer de Raad van State en de vFAS. Naar aanleiding hiervan hebben de initiatiefnemers besloten het wetsvoorstel aan te passen. Lange tijd was het stil rond het wetsvoorstel. Op 11 juni 2018 presenteerden de initiatiefnemers de Tweede nota van wijziging met daarin een ingrijpende vereenvoudiging van het oorspronkelijke wetsvoorstel dat is ingediend op 19 juni 2015. Van het oorspronkelijke wetsvoorstel is niet veel meer over; alleen de beperking van de alimentatieduur is in stand gebleven; deze bedraagt nu maximaal twaalf jaar en zal, indien het wetsvoorstel wordt aangenomen, worden verkort naar maximaal vijf jaar. In het nieuwe artikel 1:157 BW zal worden opgenomen dat, wanneer de rechter niet op grond van artikel 1:156 BW een termijn heeft bepaald, de verplichting tot betaling van partneralimentatie van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de helft van de duur van het huwelijk, met een maximum van vijf jaren. De rechter kan hiervan afwijken door een langere termijn te bepalen; artikel 1:156 BW vermeldt dat die langere termijn de vijf jaren niet mag overstijgen. Hierop bestaan enkele uitzonderingen (5). De initiatiefnemers menen met het voorliggende wetsvoorstel een goede balans te hebben gevonden tussen de gerechtvaardigde belangen van zowel de alimentatiegerechtigde als de alimentatieplichtige. Nu het wetsvoorstel zich beperkt tot de duur van de alimentatie, rijst de vraag of deze wetswijziging nog wel noodzakelijk is. Sommigen menen dat de huidige wetgeving voldoende ruimte en aanknopingspunten biedt; rechters zouden op basis van de huidige wet uitstekende mogelijkheden hebben om maatwerk te leveren (6). Anderen menen dat daar (inmiddels) een wetswijziging voor nodig is (7). 

Huidige wettelijke regeling

Op grond van artikel 1:157 lid 1 BW heeft de rechter een discretionaire bevoegdheid tot het vaststellen van partneralimentatie. Artikel 1:157 lid 1 BW bepaalt dat de rechter bij echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch die in redelijkheid kan verwerven, op zijn verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud kan toekennen. Op grond van het bij de Wet limitering alimentatie (WLA) met ingang van 1 juli 1994 ingevoerde artikel 1:157 lid 4 BW eindigt het recht op partneralimentatie in beginsel na het verstrijken van een periode van twaalf jaar na de echtscheiding (8). Bij de twaalfjaarstermijn is men uitgegaan van het meest ongunstige geval, dat het jongste kind van partijen geboren wordt als de ouders scheiden: 

“De termijn is ontleend aan het rapport van de interdepartementale werkgroep. Bij deze keuze is uitgegaan van het ongunstigste geval namelijk een huwelijk met kinderen waarbij het jongste kind geboren werd toen de ouders scheidden. (...) De termijn van 12 jaar stelt de alimentatiegerechtigde in staat de zorg voor de kinderen op zich te nemen en na verloop van tijd, wanneer de kinderen naar zelfstandigheid groeien, zich er op voor te bereiden in eigen levensonderhoud te voorzien.”

De termijn van twaalf jaren zoals opgenomen in artikel 1:157 lid 4 BW betreft nadrukkelijk een maximumtermijn voor de alimentatieverplichting en de rechter is vrij om, met inachtneming van alle bijzondere omstandigheden van het geval, een termijn aan de alimentatieverplichting te verbinden:

“Het wetsontwerp bevat daarom enige maximumtermijnen voor de onderhoudsverplichting. Binnen deze maximumtermijnen blijft de rechter vrij om met in achtneming van alle bijzondere omstandigheden van het geval een alimentatie al dan niet aan een termijn te verbinden. Met het oog op deze vrijheid is ervan afgezien de rechter feitelijke criteria van toetsing voor te schrijven.” (9)

De wetgever heeft ervoor gekozen de rechter geen feitelijke criteria van toetsing voor te schrijven. Bij het vaststellen van de alimentatieplicht dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder zowel financiële als niet-financiële omstandigheden (10). De rechter kan op grond van deze omstandigheden de alimentatie na ommekomst van een bepaalde termijn op nihil vaststellen (lees: nihilstelling), dan wel de termijn van de alimentatieverplichting verkorten (lees: limitering). Bij een nihilstelling van de alimentatieverplichting op termijn blijft het nog mogelijk om een wijziging van de onderhoudsbijdrage te vragen op grond van artikel 1:401 lid 1 BW, omdat de verplichting tot het betalen van een onderhoudsbijdrage in stand blijft. Bij limitering van de onderhoudsverplichting op grond van artikel 1:157 lid 3 BW komt de onderhoudsverplichting na ommekomst van deze termijn definitief te vervallen. In dat geval kan slechts in uitzonderlijke gevallen (er moet sprake zijn van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de verzoeker kan worden gevergd) de door de rechter vastgestelde termijn op grond van artikel 1:401 lid 2 BW nadien worden gewijzigd. Wanneer een lopende onderhoudsverplichting wordt gelimiteerd dienen de omstandigheden van het geval naar het oordeel van de Hoge Raad van zodanige aard te zijn dat van de alimentatieplichtige in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij (volledig) bijdraagt in het levensonderhoud van de ander:

“De rechter kan, buiten het in de wet geregelde geval van art. 1:160 BW, een lopende alimentatieverplichting slechts doen eindigen wegens andere omstandigheden dan ontbrekende draagkracht of behoefte op de grond dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van de gewezen echtgenoot nog langer een bijdrage in het levensonderhoud te verlangen." (11)

Wanneer de alimentatieverplichting definitief wordt beëindigd, worden aan deze beslissing hoge motiveringseisen gesteld (12). Uit de memorie van toelichting blijkt verder dat ook sprake kan zijn van een limitering van de alimentatie als na ommekomst van de termijn er nog altijd sprake is van behoeftigheid (13) :

“Meer in het algemeen overwoog de Hoge Raad in zijn uitspraak van 21 augustus 1974, NJ 1975, 421, dat noch de tekst noch de geschiedenis van artikel 157 lid 3 van Boek 1 BW grond geeft voor de opvatting dat bij de mogelijkheid tot toekenning van een uitkering voor bepaalde tijd slechts zou zijn gedacht aan het geval waarin de desbetreffende echtgenoot slechts voor een bepaalde tijd alimentatie behoeft maar uit de wetsgeschiedenis veeleer blijkt dat de wetgever daarbij ook andere gevallen op het oog heeft gehad waarin het in verband met de voorgeschiedenis van de echtscheiding redelijk kan zijn een echtgenoot, niettegenstaande het vooruitzicht van een vooralsnog blijvende behoefte aan een alimentatie bij de andere echtgenoot, slechts voor een bepaalde tijd met een alimentatie-uitkering te belasten.”

Op grond van vorenstaande kan worden geconcludeerd dat de huidige wetgeving op dit moment al de nodige mogelijkheden biedt om de alimentatieverplichting in tijd te beperken met een nihilstelling dan wel limitering van de onderhoudsverplichting.

Trend in de lagere rechtspraak

In de literatuur is veelvuldig onderzoek gedaan naar uitspraken die zien op de beperking van de partneralimentatieduur (14). Uit deze jurisprudentie kan een beeld worden opgemaakt waarbij enerzijds aan de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde veel gewicht wordt toegekend; naarmate partijen langer gescheiden leven wordt steeds meer van de onderhoudsgerechtigde verlangd dat hij zich zal inspannen om in het eigen levensonderhoud te gaan voorzien (15).

Anderzijds wordt wel aangenomen dat door het verstrijken van tijd de behoefte kan ‘verbleken’, omdat de lotsverbondenheid na echtscheiding door tijdsverloop afneemt (16). Verbleking van de behoefte kan voor de rechter aanleiding vormen over te gaan tot (gefaseerde) ‘nihilstelling’ van de onderhoudsverplichting voordat de wettelijke twaalfsjaarstermijn van artikel 1:157 lid 4 BW is verstreken (17). Voorstanders van deze zienswijze lijken vooral het Hof Den Haag en Hof Den Bosch te zijn. Het Hof Arnhem-Leeuwarden is op dit gebied terughoudender. Het is evenwel de vraag of de wet ruimte biedt voor een dergelijke aanname en niet eerst zou moeten worden aangepast (18).

De Hoge Raad laat zich uit...

Uitspraak Hoge Raad 9 maart 2018: Verbleking van behoefte door enkel tijdsverloop kan niet langer worden aangenomen

Bij de uitspraak van de Hoge Raad van 9 maart 2018 speelde het volgende (19). Het huwelijk tussen partijen was in 2006 ontbonden. In het echtscheidingsconvenant was een partneralimentatie van € 3.532 bruto per maand overeengekomen. De man heeft in 2016 nihilstelling c.q. wijziging van deze partneralimentatie verzocht. De man stelt dat de behoefte van de vrouw in de loop der jaren is verbleekt en dat niet meer kan worden gerekend met de ten tijde van de echtscheiding vastgestelde huwelijksgerelateerde behoefte. De man heeft sinds april 2013 geen bijdrage aan de vrouw voldaan en de vrouw kan – naar de mening van de man – rondkomen van haar eigen inkomen van € 1.500 bruto per maand. Het Hof Arnhem-Leeuwarden wees het verzoek van de man af (20). Het hof was van oordeel dat er geen sprake was van een zogenoemde ‘verbleekte behoefte’. De enkele omstandigheid dat de vrouw noodgedwongen, doordat de man op enig moment is opgehouden met betaling van de door hem aan haar verschuldigde partneralimentatie, haar uitgavenpatroon zo heeft moeten inrichten dat zij met de door haar gegenereerde inkomsten en haar (inkomsten uit) vermogen in haar levensonderhoud kon voorzien, brengt niet mee dat haar huidige behoefte niet meer overeenkomt met de huwelijksgerelateerde behoefte. De man stelde tegen deze uitspraak van het hof cassatieberoep in. In cassatie gaat het om de vraag of het hof op goede gronden het beroep van de man op verbleking van de behoefte van de vrouw heeft verworpen. Hoewel de Hoge Raad in deze uitspraak niet zelf antwoord geeft op de vraag of behoefte door enkel tijdsverloop kan verbleken doordat het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO wordt verworpen, beantwoordt A-G Rank- Berenschot deze vraag met een duidelijke ontkenning (21). De A-G komt tot deze conclusie aan de hand van de wetsgeschiedenis en vaste rechtspraak van Hoge Raad:

“Het uitgangspunt dat de huwelijksgerelateerde behoefte (a priori) door enkel tijdsverloop afneemt, verdraagt zich niet met de hierboven genoemde vaste rechtspraak, volgens welke bij de vaststelling van de behoefte rekening dient te worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval. Enkel tijdsverloop na de beëindiging van het huwelijk is niet bepalend voor de vaststelling van de behoefte, maar tijdsverloop kan gelden als een relevante bijkomende omstandigheid. Dat geldt a fortiori voor een geval als het onderhavige, waarin sprake is van een convenant waarin de alimentatie is overeengekomen op basis van onder meer een vastgestelde behoefte van een bepaald (huwelijksgerelateerd) niveau voor een bepaalde periode.”

De conclusie van de A-G is duidelijk. Enkel tijdsverloop sinds beëindiging van het huwelijk is niet bepalend voor de vaststelling van de behoefte. In beginsel zal dan ook bij het vaststellen van de alimentatiegerechtigde aansluiting dienen te worden gezocht bij huwelijksgerelateerde welstand van partijen. Tijdsverloop kan wel gelden als een relevante bijkomende omstandigheid.

Uitspraak Hoge Raad 4 mei 2018: Het voortduren van de alimentatieverplichting berust niet op het voortduren van de door het huwelijk in het leven geroepen lotsverbondenheid, ook niet in samenhang met andere omstandigheden 

In de uitspraak van de Hoge Raad van 4 mei 2018 gaat het om de vraag of het ‘afnemen’ of ‘vervallen’ van de lotsverbondenheid grond vormt voor een beëindiging van de alimentatieverplichting (22). Partijen zijn in 2006 van elkaar gescheiden. De man is sinds 2009 een onderhoudsbijdrage aan de vrouw verschuldigd. In 2012 erft de vrouw een woning. Naar de mening van de man heeft de vrouw de man niet actief geïnformeerd over de door haar ontvangen erfenis noch over haar financiële positie en heeft zij zich onvoldoende ingespannen om in de kosten van haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien. De man heeft aan de orde gesteld dat door dit gedrag van de vrouw jegens hem de lotsverbondenheid is verbroken als gevolg waarvan het recht van de vrouw op alimentatie is komen te vervallen. De man verzoekt in hoger beroep onder meer voor recht te verklaren dat door het gedrag van de vrouw jegens hem de lotsverbondenheid is verbroken als gevolg waarvan het recht van de vrouw op alimentatie is komen te vervallen. Het hof heeft dit verzoek van de man toegewezen. Volgens het hof was de lotsverbondenheid tussen partijen komen te vervallen door enerzijds de genoemde gedragingen van de vrouw en anderzijds doordat partijen al geruime tijd waren gescheiden. Het hof heeft daartoe overwogen dat de vrouw de erfenis die zij heeft verkregen voor de man verborgen heeft gehouden, dat zij het hof en de man niet actief heeft geïnformeerd over haar financiële positie en dat zij zich onvoldoende heeft ingespannen om in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien. Het hof heeft de vrouw veroordeeld om aan de man de alimentatie terug te betalen die zij vanaf de datum van het overlijden van de erflater van hem heeft ontvangen. De Hoge Raad is het daar niet mee eens.

Allereerst verduidelijkt de Hoge Raad zijn eerdere jurisprudentie met betrekking tot de motiveringseisen die worden gesteld aan een beslissing, houdende een (praktische) beëindiging of limitering van een onderhoudsverplichting:

“Op grond van het bij de WLA ingevoerde art. 1:157 lid 4 BW eindigt het recht op partneralimentatie in beginsel na het verstrijken van een periode van twaalf jaar na de echtscheiding. Met de onder 3.3.2 vermelde vaste rechtspraak en de daar vermelde bij de totstandkoming van art. 1:157 lid 4 BW in de memorie van toelichting gedane uitlating, strookt dat in gevallen waarin die bepaling van toepassing is, eveneens hoge motiveringseisen worden gesteld aan beslissingen die het recht op een bijdrage voor levensonderhoud van de ene gewezen echtgenoot jegens de andere (praktisch) definitief doen eindigen voordat de periode van twaalf jaar is verstreken, hetzij – zoals in dit geval – doordat de rechter de alimentatieverplichting als zodanig beëindigt of limiteert, hetzij doordat de rechter het alimentatiebedrag op nihil stelt en zijn beslissing is gegrond op omstandigheden die naar hun aard niet meer voor wijziging vatbaar zijn (vgl. HR 15 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3236, rov. 3.4.2). Deze motiveringseisen worden niet lager of anders naarmate enige tijd na de echtscheiding is verstreken.”

De Hoge Raad geeft nogmaals aan dat aan beslissingen die het recht op een bijdrage voor levensonderhoud van een gewezen echtgenoot jegens de andere (praktisch) definitief doen eindigen (zoals in het geval waarbij wordt aangenomen dat behoefte door enkel tijdsverloop verbleekt) voordat de periode van twaalf jaar is verstreken hoge motiveringseisen worden gesteld. Deze uitspraak van de Hoge Raad komt niet als verrassing gezien zijn eerdere jurisprudentie (23).  In aanvulling op zijn eerdere jurisprudentie wordt evenwel opgemerkt dat deze motiveringseisen niet lager of anders worden naarmate enige tijd na de echtscheiding is verstreken.

Verder wijst Hoge Raad er (nogmaals) op dat de alimentatieverplichting slechts in uitzonderlijke gevallen binnen de daarvoor in de wet gestelde termijn kan worden beëindigd en verduidelijkt de Hoge Raad zijn eerdere jurisprudentie met betrekking tot de gevallen waarbij de grondslag voor de alimentatieverplichting komt te vervallen: 

“De rechter kan, buiten het in de wet geregelde geval van art. 1:160 BW, een lopende alimentatieverplichting slechts doen eindigen wegens andere omstandigheden dan ontbrekende draagkracht of behoefte op de grond dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van de gewezen echtgenoot nog langer een bijdrage in het levensonderhoud te verlangen.”(…) (24).

“Weliswaar kan de door het huwelijk in het leven geroepen lotsverbondenheid als een grondslag voor het ontstaan van de alimentatieverplichting worden beschouwd, maar het voortduren van die verplichting berust niet op het voortduren van de lotsverbondenheid. Daarom kan het ‘afnemen’ of ‘vervallen’ van lotsverbondenheid geen grond zijn voor beëindiging van de alimentatieverplichting, ook niet in samenhang met andere omstandigheden (vgl. HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2058, NJ 2014/143, rov. 3.4.4 en 3.5).”(25)

De Hoge Raad geeft nogmaals expliciet aan dat het vervallen van de lotsverbondenheid – de grondslag van de alimentatieverplichting – niet kan bijdragen aan het oordeel dat de alimentatieplicht dient te worden beëindigd. De lotsverbondenheid die door het huwelijk in het leven is geroepen vormt slechts het ontstaansrecht van de alimentatieverplichting. Volgens de Hoge Raad vormt het afnemen van de lotsverbondenheid dan ook geen zelfstandige grond voor beëindiging van de alimentatieverplichting, waarbij de Hoge Raad nog – in aanvulling op zijn eerdere uitspraak van 20 december 2013 – opmerkt dat dit ook niet in samenhang met andere omstandigheden kan.

Implicaties van deze uitspraken van de Hoge Raad voor de praktijk 

Het uitgangspunt van het Hof Den Haag en het Hof Den Bosch, dat lotsverbondenheid door tijdsverloop na echtscheiding afneemt waardoor de behoefte verbleekt op grond waarvan kan worden overgegaan tot (gefaseerde) ‘’nihilstelling’ van de onderhoudsverplichting voordat de wettelijke twaalfsjaarstermijn van artikel 1:157 lid 4 BW is verstreken, lijkt op gespannen voet te staan met voornoemde uitspraken van de Hoge Raad. Niet alleen deze trend in de rechtspraak lijkt te worden geraakt door de jurisprudentie van de Hoge Raad. Ook de rechtspraak (en literatuur), waarbij aangenomen wordt dat de alimentatiegerechtigde zich zo grievend kan gedragen dat er geen sprake meer is van lotsverbondenheid, waardoor de basis aan betaling van een alimentatiebijdrage is komen te ontvallen – lijkt thans niet langer houdbaar, althans ik vraag mij af of het verband dat veelal wordt gelegd in dergelijke kwesties met de lotsverbondenheid nog relevant is (26). Dit is evenwel geen reden om in het geheel geen waarde toe te kennen aan de ontstane trend in de lagere rechtspraak. Zoals hiervoor weergegeven ging in bijna alle gevallen waarin een verbleken van de behoefte ter beoordeling voorlag, deze beoordeling hand in hand met een beoordeling van de behoeftigheid van de onderhoudsgerechtigde en diens verdiencapaciteit. In de lagere rechtspraak is de trend te ontwaren dat, naarmate partijen langer gescheiden leven, in toenemende mate van de onderhoudsgerechtigde verlangd wordt dat hij zich zal inspannen om in het eigen levensonderhoud te gaan voorzien (27). Wanneer een onderhoudsgerechtigde in staat zal zijn een inkomen te verwerven waarmee hij volledig in het levensonderhoud zal kunnen voorzien, lijkt hiermee de wet voldoende aanknopingspunten te bieden om aan voornoemde maatschappelijke wens om de alimentatie in duur te beperken te kunnen voldoen. De schoen wringt in die gevallen waarin op voorhand vaststaat dat de alimentatieplichtige niet in staat zal zijn om in zijn huwelijkse gerelateerde behoefte te kunnen gaan voorzien..

A.N. Labohm (raadsheer bij het Gerechtshof Den Haag en daarmee een van de drijvende krachten achter voornoemde ontwikkelingen in de lagere rechtspraak) wijst er in zijn recent verschenen artikel ‘Wet herziening partneralimentatie: de tweede nota van wijziging van 11 juni 2018’ op dat met deze rechtspraak van de Hoge Raad de rekening van de alimentatieplichtige de komende twaalf jaar vaststaat indien de alimentatiegerechtigde slechts een geringe verdiencapaciteit heeft (28). Wat hem betreft is het noodzakelijk dat het nieuwe wetsvoorstel snel wordt ingevoerd. Ook M.L.C.C. Lückers (A-G bij de Hoge Raad) wijst in haar artikel ‘Kan behoefte verbleken?’ eveneens op het probleem dat ontstaat voor de gevallen waarin de huwelijksgerelateerde welstand erg hoog is en de verdiencapaciteit vrijwel nihil (29). Zij is wat voorzichtiger met haar conclusie en geeft aan dat er in die gevallen waarschijnlijk wel twaalf jaar lang alimentatie zal moeten worden betaald. Deze stellingname, waarbij ervan uit wordt gegaan dat in die gevallen – waarbij na ommekomst van de termijn van twaalf jaar nog altijd sprake van behoeftigheid is – de wet onvoldoende ruimte biedt om maatwerk te leveren, lijkt haaks te staan op de conclusie uit hun eerdere gezamenlijke artikel uit 2012 ‘Alimentatie in tijden van crisis en maatschappelijke veranderingen’ (30). Voornoemde schrijvers lijken met deze stelling voorbij te gaan aan de mogelijkheden die de wet thans biedt op grond van artikel 1:157 lid 3 BW. Zowel de wettekst als de parlementaire geschiedenis biedt ruimte om een termijn te stellen aan de alimentatieverplichting, ook in het geval waarbij na ommekomst van de termijn nog altijd sprake van behoeftigheid is (31). Ik zie dan ook verschillende mogelijkheden om alsnog tot maatwerk te komen, ook in de gevallen waarbij de alimentatiegerechtigde slechts een geringe verdiencapaciteit heeft.

Conclusie

Met de recente uitspraken van de Hoge Raad is een streep door de trend in de lagere rechtspraak gezet, waarbij werd aangenomen dat lotsverbondenheid door tijdsverloop na echtscheiding afneemt en waardoor de behoefte verbleekt. Deze rechtspraak behoudt toch nog zijn waarde voor de praktijk. In bijna alle gevallen waarin verbleken van de behoefte ter beoordeling voorlag, werd namelijk eveneens de behoeftigheid van de onderhoudsgerechtigde en diens verdiencapaciteit getoetst. Steeds vaker wordt van de alimentatiegerechtigde verlangd om, al dan niet op termijn, zelf in een groter gedeelte van de aanvullende behoefte te gaan voorzien. De rechter lijkt om die reden steeds vaker bereid de alimentatieverplichting op termijn op nihil vast te stellen. Dit is een positieve ontwikkeling in het licht van de bestaande maatschappelijke wens om de alimentatieverplichting in duur te beperken. Desalniettemin wordt het verzoek om de alimentatie in duur te beperken nog altijd te weinig toegewezen (32). Bovendien zal in de gevallen waarbij de alimentatiegerechtigde slechts een geringe verdiencapaciteit heeft een beoordeling van diens behoeftigheid en verdiencapaciteit geen soelaas bieden. Het is de vraag of om die reden een wetswijziging vereist is. Blijft staan het feit dat zowel de jurisprudentie, de wettekst als de parlementaire geschiedenis op dit moment nog voldoende ruimte bieden om de alimentatieverplichting in duur te beperken, ook in die gevallen waarbij de alimentatiegerechtigde slechts een geringe verdiencapaciteit heeft. De rechters – maar ook advocaten – lijken van deze door de wet gegeven mogelijkheid weinig (gemotiveerd) gebruik te maken. Hier is dus een taak voor hen weggelegd. Dit te meer nu naar verwachting het huidige alimentatierecht voorlopig nog geen wijziging zal ondervinden. In de derde nota van wijziging wordt uitgegaan van een datum van 1 januari 2020; gezien de doorlooptijd van het wetgevingsproces is het maar de vraag of deze streefdatum haalbaar is (33). Ook om die reden is het van belang de mogelijkheden die de wet thans biedt zo veel als mogelijk te gaan benutten. Bij een verzoek tot beperking van de alimentatieverplichting in tijd dient – mede bezien in het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad – op de volgende punten te worden gelet:

–Indien er sprake is van omstandigheden die naar hun aard niet meer voor wijziging vatbaar zijn, dient er bij het inrichten van het verzoek rekening te worden gehouden met de verzwaarde stelplicht die rust op dit verzoek.

– Deze stelplicht wordt niet lager of anders naarmate enige tijd na de echtscheiding is verstreken.

– Een verzoek tot beëindiging van de alimentatieverplichting kan enkel door de rechter worden toegewezen op grond van het feit dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van de gewezen echtgenoot nog langer een bijdrage in het levensonderhoud te verlangen; dit zal dan ook nader moeten worden gemotiveerd.

– Het ‘afnemen’ of ‘vervallen’ van lotsverbondenheid vormt geen grond voor beëindiging van de alimentatieverplichting, ook niet in samenhang met andere omstandigheden.

– Enkel tijdsverloop na de beëindiging van het huwelijk is niet bepalend voor de vaststelling van de behoefte, maar tijdsverloop kan echter wel gelden als een relevante bijkomende omstandigheid.

– Een beroep op de wetgeschiedenis van artikel 1:157 BW kan hierbij mogelijk uitkomst bieden.

Uiteraard zal een dergelijk beroep niet in alle kwesties soelaas bieden. Bovendien lijken rechters in de praktijk terughoudend gebruik te maken van deze bevoegdheid. Met J.P.M. Bol en A. Wakker onderschrijf ik dan ook de stelling dat rechters – maar ook de advocatuur – een duwtje in de rug van de wetgever wel lijken te kunnen gebruiken (34). Een wetswijziging is wat mij betreft dan ook gewenst, niet vereist.

(1) MvT, Kamerstukken II 2014/15, 34231, nr. 2.

(2) Kamerstukken II 2015/16, 34231, nr. 10, nadat er op 14 maart 2017 een eerste nota van wijziging was ingediend; Kamerstukken II 2016/2017, 34231, nr. 7.

(3) Kamerstukken II 2015/16, 34231, nr. 13.

(4) Alle overige bepalingen uit de eerdere versies van het wetsvoorstel – zoals de nieuwe wettelijke grondslag, de rol van nieuwe partners, de berekeningssystematiek, het maken van afspraken in huwelijkse voorwaarden, de indexering en het vervallen van nietigheid van een beding tot uitsluiting van partneralimentatie – zijn geschrapt.

(5) Er zijn volgens de Tweede nota van wijziging twee uitzonderingen op deze hoofdregel. De eerste uitzondering betreft echtgenoten die de zorg voor jonge kinderen hebben; de maximale alimentatieduur blijft dan twaalf jaar, de alimentatieduur loopt dan totdat het kind de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt. De tweede uitzondering geldt in het geval van langdurige huwelijken, waarbij de alimentatiegerechtigde ten hoogste tien jaren jonger is dan de toepasselijke AOW-leeftijd. De partneralimentatie kan in dat geval maximaal tien jaar duren, namelijk zolang het duurt tot de alimentatiegerechtigde de AOW-leeftijd bereikt. De Derde nota van wijziging verbetert – ten opzichte van de Tweede nota van wijziging – de positie van de alimentatiegerechtigden met een huwelijk langer dan vijftien jaar die bij de inwerkingtreding van het wetsvoorstel vijftig jaar of ouder zijn. Zij hebben recht op tien jaar alimentatie. Daarnaast leidt het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd door de alimentatieplichtige niet meer automatisch tot het vervallen van de alimentatieverplichting. Voor het overige zijn er enkele technische wijzigingen doorgevoerd. De twee bestaande uitzonderingen (maximaal tien jaar voor huwelijken van meer dan vijftien jaar waarbij de alimentatiegerechtigde tien jaar onder AOW-leeftijd zit en maximaal twaalf jaar voor huwelijken met jonge kinderen) blijven bestaan. De derde nota van wijziging verandert dat niet.

(6) Zie onder meer: M.L.C.C. de Bruijn-Lückers & A.N. Labohm, ‘Alimentatie in tijden van crisis en maatschappelijke veranderingen’, WPNR 2012/6947; M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, ‘Nieuwe voorstellen met betrekking tot partneralimentatie’, EB 2012/67; A. Wakker, ‘Beperking van de alimentatieduur: laten advocaten kansen liggen?’, EB 2013/71; C. Soeters ‘Partneralimentatie in duur beperkt’, REP 2017/5 en R.A. Jongerius en L.S. Timmermans, ‘Beperking duur partneralimentatie’, REP 2012/6.

(7) A.N. Labohm, ‘Wet herziening partneralimentatie: de tweede nota van wijziging van 11 juni 2018’, EB 2018/76; M.L.C.C. Lückers, ‘Kan behoefte verbleken?’, EB 2018/35.

(8) Met uitzondering van het in de wet geregelde geval van art. 1:160 BW.

(9) MvT, Kamerstukken II 1985/86, 19295, nr. 3, p. 7.

(10) Asser/De Boer, Kolkman & Salomons, 1-II, 2016/651-653, M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, ‘Alimentatieverplichtingen’, Monografieën (echt)scheidingsrecht. Deel 4A, 2017, par. 4.3 en hoofdstuk 7; S.F.M. Wortmann, GS Personen- en Familierecht, art. 1:157 BW, aant. 12, ‘Niet-financiële omstandigheden’; HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2058, NJ 2014/143, r.o. 3.4.4; Parket bij de Hoge Raad, 19 januari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:49, r.o. 2.10.

(11) HR 7 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7046.

(12) HR, 1982, NJ 1983/595 en 596; HR 26 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4819; MvT, Kamerstukken II 1985/86 19295, nr. 3, p. 12.

(13) MvT, Kamerstukken II 1985/86, 19295, nr. 3, p. 11.

(14) Zie onder meer: R.A. Jongerius en L.S. Timmermans, ‘Beperking duur partneralimentatie’, REP 2012/6, A. Wakker, ‘Beperking van de alimentatieduur: laten advocaten kansen liggen?’, EB 2013/71; M. van Yperen- Groenleer, ‘Het effect van tijdsverloop op behoefte en behoeftigheid’, EB 2014/34; A. Wakker en J.P.M. Bol, ‘Partneralimentatie in de praktijk: is maatwerk mogelijk?’ (deel 1-5), REP 2014/2015; A. Wakker en J.P.M. Bol, ’Partneralimentatie in de praktijk: is nieuwe wetgeving nodig?’ (deel 6, slot), REP 2015/4; M.A. Baeten, ‘Verbleken van behoefte of hogere eisen aan de verdiencapaciteit?’ REP 2016/224 en C. Soeters, ‘Partneralimentatie in duur beperkt’, REP 2017/5.

(15) Zie onder meer: Hof Den Haag 30 september 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2744, r.o. 10; Hof Den Haag 4 juli 2918, ECLI:NL:GHDHA:2018:1930.

(16) Zie voor een overzicht van de rechtspraak over verbleking van behoefte tot aan 2016: M.A. Baeten, ‘Verbleken van behoefte of hogere eisen aan de verdiencapaciteit?’, REP 2016/224; in aanvulling daarop tot aan 2018: S.F.M. Wortmann, GS Personen- en Familierecht, art. 1:157 BW aant. 8C ‘Jurisprudentie verbleken van behoefte’. 

(17) NB Deze ‘nihilstelling’ betreft in feite een (praktische) beëindiging of limitering van een onderhoudsverplichting, nu deze ‘nihilstelling’ is gegrond op omstandigheden die naar hun aard niet meer voor wijziging vatbaar zijn.

(18) Zie ook: J. Kok, ‘Partneralimentatie op drift’, FJR 2017/41.

(19) HR 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:313.

(20) Hof Arnhem-Leeuwarden 31 januari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:677.

(21) De Hoge Raad lijkt dit standpunt te delen. De Hoge Raad had anders immers de klacht – dat het hof heeft miskend dat de huwelijksgerelateerde behoefte (a priori) door tijdsverloop afneemt (verbleekt) – moeten laten slagen.

(22) HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:695.

(23) HR, 1982, NJ 1983/595 en 596; HR 26 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4819; HR 15 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3236.

(24) Zie in gelijke zin: HR 7 mei 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL7046); alimentatieverplichting kan eindigen als naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van alimentatieplichtige niet kan worden gevergd dat hij nog langer een bijdrage levert.

(25) HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:695, r.o. 3.3.5.

(26) Asser/De Boer, Kolkman & Salomons, 1-II, 2016/651; S.F.M. Wortmann, Groene Serie Personen- en familierecht, art. 1:157 BW, aant. 13, ‘Grievende gedragingen of omstandigheden’; S.P. van der Meer, ‘Wangedrag bij alimentatie’, EB 2018/24. 27 Zie ook: Hof Den Haag, 4 juli 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1930.

(28) A.N. Labohm, ‘Wet herziening partneralimentatie: de tweede nota van wijziging van 11 juni 2018’, EB 2018/76

(29) M.L.C.C. Lückers, ‘Kan behoefte verbleken?’, EB 2018/35.

(30) M.L.C.C. de Bruijn-Lückers & A.N. Labohm, ‘Alimentatie in tijden van crisis en maatschappelijke veranderingen’, WPNR 2012/6947.

(31) Zie onder meer: HR 12 december 1975, NJ 1976/573, m.nt. E.A.A. Luijten (hierbij ging het om de korte duur van de samenwoning, kinderloosheid en de op vordering van de man uitgesproken scheiding van tafel en bed); Hof Amsterdam 23 november 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BR3053; Hof Den Haag 30 november 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BV0675; Rb. Den Bosch 23 december 2011, ECLI:NL:RBSHE:2011:BV0303; Rb. Oost- Brabant 11 december 2013, C/01/259719/ FA RK 13-106; Rb. Gelderland 8 december 2014, C/05/261647/ FA RK 14-1095; Hof Den Haag 1 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015;2178; Hof Den Bosch 3 december 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:5014; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4636; Hof Den Haag 31 augustus 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2673; Hof Amsterdam 26 juni 2018, 200.224.349/01 en 200.224.351/01.

(32) Zie onder meer: R.A. Jongerius en L.S. Timmermans, ‘Beperking duur partneralimentatie’, REP 2012/6; A. Wakker, ‘Beperking van de alimentatieduur: laten advocaten kansen liggen?’, EB 2013/71; A. Wakker en J.P.M. Bol, “Partneralimentatie in de praktijk: is nieuwe wetgeving nodig? (deel 6, slot), REP 2015/4; C. Soeters ‘Partneralimentatie in duur beperkt’, REP 2017/5.

(33) Zie noot van P. Vlaardingerbroek bij HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:695, «JPF» 2018/88.

(34) A. Wakker en J.P.M. Bol, ‘Partneralimentatie in de praktijk: is nieuwe wetgeving nodig?’ (deel 6, slot), REP 2015/4.

       

SmeetsGijbels Amsterdam

Postbus 78067
1070 LP Amsterdam
Jacob Obrechtstraat 70
1071 KP Amsterdam
T +31 (0)20 574 77 22
F +31 (0)20 574 77 33
info@smeetsgijbels.com

SmeetsGijbels Rotterdam

Postbus 1629
3000 BP Rotterdam
Westersingel 84
3015 LC Rotterdam
T +31 (0)10 266 66 66
F +31 (0)10 266 66 55
E info@smeetsgijbels.com

logo fas
logo voh
logo iafl
logo mfi
logo kidsrights