[language-switcher] [language-switcher]

Het vervalbeding bij een periodiek verrekenbeding: Hoe zit het ook alweer?

In een uitspraak van 16 juni 2021 oordeelde de rechtbank dat het beroep op het vervalbeding dat in de huwelijkse voorwaarden is opgenomen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Deze uitspraak vormt een uitzondering op de hoofdregel dat een beroep op een vervalbeding in beginsel onaanvaardbaar is, zoals volgt uit de uitspraak van de Hoge Raad uit 1996. Eén en ander geeft aanleiding om het geheugen met betrekking tot het vervalbeding eens op te frissen. In deze bijdrage wordt de betekenis en toepassing van het vervalbeding uiteengezet en de bijzonderheid van de gewezen uitspraak besproken. Hiervoor is noodzakelijk om tevens het periodiek verrekenbeding te bespreken.

Het periodiek verrekenbeding

Echtgenoten die zijn gehuwd onder uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen kunnen in de huwelijkse voorwaarden een periodiek verrekenbeding – ook wel het Amsterdams verrekenbeding genoemd – vastleggen. Dit houdt in dat echtgenoten na het verstrijken van een overeengekomen periode – doorgaans één jaar – het inkomen dat niet is verbruikt bijeenvoegen om dit vervolgens bij helfte te verdelen. Een belangrijk voordeel hiervan is dat de echtgenoot die minder inkomen geniet in gelijke mate meedeelt in de vermogensgroei van de andere echtgenoot. De echtgenoot die een verlies aan verdiencapaciteit leidt ten gevolge van de verzorging en opvoeding van de kinderen alsmede de huishoudelijke taken, wordt hierdoor gecompenseerd.

Een voorbeeld van een periodiek verrekenbeding:

“Per het einde van elk kalenderjaar voegen de echtgenoten samen wat van hun inkomen, na aftrek van de kosten van de huishouding en van de belastingen en premies onverteerd is en delen zij dat bij helfte.

In veel huwelijkse voorwaarden is een dergelijk verrekenbeding opgenomen.

Het vervalbeding

Het is goed voor te stellen dat echtgenoten – ondanks het vastgelegde periodieke verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden – tijdens het huwelijk niet jaarlijks verrekenen. Eén van de redenen kan zijn dat echtgenoten tijdens het huwelijk niet snel geneigd zijn om van elkaar een geldbedrag te vorderen. Dit wordt natuurlijk anders wanneer sprake is van een echtscheiding. Indien (ex-)echtgenoten geen uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding, dan blijft op grond van artikel 141 lid 1 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek de verplichting tot verrekening wel bestaan. Dit betekent dat ook na de ontbinding van het huwelijk de (ex-)echtgenoten een vordering tot verrekening jegens elkaar hebben over de periode dat zij niet hebben verrekend. Om dit te voorkomen kunnen echtgenoten naast het periodiek verrekenbeding tevens een vervalbeding in de huwelijkse voorwaarden vastleggen. De verplichting tot verrekening tussen de echtgenoten vervalt dan na het verstrijken van een overeengekomen periode.

Een voorbeeld van een vervalbeding:

Indien de verdeling over het afgelopen kalenderjaar niet vóór 1 juli van het daaropvolgende kalenderjaar feitelijk heeft plaatsgevonden, dan wel niet door een der echtgenoten is gevorderd, vervalt de verplichting tot bijeenvoeging en verdeling over vorenbedoeld kalenderjaar.”

Echter, in 1996 heeft de Hoge Raad de werking van een dergelijk vervalbeding tussen (ex-)echtgenoten aanzienlijk beperkt. De Hoge Raad oordeelde toen dat het beroep op een vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar wordt geacht, tenzij blijkt dat er omstandigheden zijn die het beroep op het vervalbeding rechtvaardigen. Het is aan de verrekenplichtige – de (ex-)echtgenoot die aan de andere (ex-)echtgenoot een bedrag is verschuldigd – om deze omstandigheden te stellen en te bewijzen. Uit de rechtspraktijk volgt dat een dergelijk beroep door rechters doorgaans wordt afgewezen omdat er eigenlijk bijna nooit omstandigheden zijn op grond waarvan een beroep op het vervalbeding wel redelijk zou zijn.

De uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 16 juni 2021

In de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 16 juni 2021 is het beroep op het vervalbeding wél gehonoreerd. De (ex-)echtgenoten in deze zaak hadden een periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden opgenomen. Zij hadden ook geregeld dat het recht tot het vorderen van de verrekening een half jaar na ontbinding van het huwelijk zou vervallen. In 2018 vindt de echtscheiding plaats. De vrouw vordert verrekening over de periode dat de periodieke verrekening niet heeft plaatsgevonden, te weten de gehele huwelijkse periode. De man beroept zich op het vervalbeding en voert hiervoor de volgende omstandigheden aan:

  • Hoewel de echtscheiding in 2018 heeft plaatsgevonden, zijn partijen al vanaf medio 2013 uit elkaar en wonen sindsdien niet langer samen;
  • Op het moment dat de echtscheiding door de rechtbank is uitgesproken zijn partijen al meer dan vijf jaren uit elkaar;
  • De vrouw heeft pas anderhalf jaar nadat de echtscheidingsbeschikking werd uitgesproken (2020) een beroep gedaan op de uitvoering van het periodiek verrekenbeding.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep van de man op het vervalbeding slaagt. De rechtbank overweegt dat de vrouw tijdens de beëindiging van het samenwonen weliswaar geen juridische bijstand heeft genoten, maar dit vanaf 2017 wel het geval was. De vrouw moet vanaf dat moment redelijkerwijs op de hoogte zijn geraakt van de inhoud van de huwelijkse voorwaarden (voor zover zij dat niet reeds was). Desondanks heeft zij pas in 2020 een beroep gedaan op verrekening. Deze omstandigheden tezamen hebben ertoe geleid dat de man er op een gegeven moment op mocht vertrouwen dat de vrouw geen beroep meer zou doen op verrekening, hetgeen het beroep van de man op het vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar maakt.

Conclusie

Echtgenoten kunnen in de huwelijkse voorwaarden een periodiek verrekenbeding vastleggen met een vervalbeding. Een vervalbeding voorkomt dat aan het einde van het huwelijk een vordering tot verrekening ontstaat voor de periode waarin geen uitvoering is gegeven aan de periodieke verrekening. In 1996 heeft de Hoge Raad bepaald dat een beroep op het vervalbeding in beginsel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De recente uitspraak van de rechtbank Noord-Holland laat echter zien onder welke omstandigheden het toch mogelijk is om een geslaagd beroep te doen op een dergelijk vervalbeding. Deze uitspraak is bijzonder te noemen omdat het beroep op een overeengekomen vervalbeding in de rechtsverhouding tussen (ex-)echtgenoten in de praktijk doorgaans wordt afgewezen. Het hangt dus zoals altijd in de rechtspraak af van alle feiten en omstandigheden of een beroep op een vervalbeding kan slagen. Het is dus van belang om de juiste argumenten naar voren te brengen en te bewijzen wanneer u denkt dat in uw geval een beroep op een vervalbeding gerechtvaardigd zou zijn. Wanneer u vragen heeft over uw huwelijkse voorwaarden en wat die voor uw situatie betekenen in geval van echtscheiding, neem gerust contact op met een van de advocaten van SmeetsGijbels.

 

Carla Smeets

Dennis Muhlbacher (juridisch medewerker)

« Terug naar nieuwsoverzicht